Ik had er dit jaar minder last van dan andere jaren. De coronaperikelen domineerden mijn zorgen en toen Marc ook nog de vakantie naar Italië had afgezegd en in plaats daarvan een huisje in Limburg had geboekt, slonk de berg waar ik altijd zo tegenop zie tot een klein heuveltje. Dat de jongens dichtbij zouden blijven maakte het op de een of andere manier draaglijker. Maar een week voor de vakantie begon het dan toch. Het onbestemde, onrustige gevoel dat door mijn lichaam raasde. Als een plotselinge windvlaag die een naderende storm aankondigt, terwijl de lucht nog strakblauw is. De week zat vol met laatste net-voor-de-vakantie-schoolactiviteiten, uitjes en borrels. Iedereen was uitgelaten en blij door het vooruitzicht van een lange, vrije zomer, maar mijn stemming werd met de dag somberder. Ik voelde me opgejaagd, als een wild dier op zoek naar een schuilplaats voor de stropers, sliep die week slecht en snauwde ongewild de kinderen af. Op woensdag brak ik. Midden in de Albert Hein, toen ik besefte dat ik voor de laatste keer voorlopig de ingrediënten voor de woensdagmiddag tosti’s had ingeslagen. Met ingeslikte tranen fietste ik naar huis. Het besef dat ik de jongens drie weken zou moeten missen kwam binnen. Hard als een voetbal die per ongeluk midden in je buik belandt in plaats van in het doel. Die laatste paar dagen probeerde ik zoveel mogelijk tijd door te brengen met de jongens. ‘s Avonds zaten we samen op de bank tv te kijken, het kleine lichaam van Timo tegen me aan gekroeld. We deden spelletjes, ik las het boek dat ik aan het voorlezen was uit en stond minuten lang naast hun bed hun lieve hoofdjes te aaien als ze al lang in dromenland waren. Naarmate het afscheid naderde werden de zenuwen, eerst nog als een achtergrondkoor aanwezig, levensgrote zwarte vlinders die als leadzanger optraden in mijn buik. Het was een martelgang.
Als de ochtend van vertrek is aangebroken pakken we de spullen stilletjes in de tassen, eten zwijgend ons ontbijt en hijsen ons als afgestompte gevangenen in de auto.
‘He jongens, zijn jullie daar?’ een overdreven vrolijke Marc komt ons in zijn bloemetjes short en op havaiana’s tegemoet, ‘hebben jullie zin in de vakantie?’ Alsof een nieuwe marionette speler de touwtjes van de jongens heeft overgenomen veranderen ze van stil en bedeesd naar wild en hyperactief.
‘Zo, en ga jij nog leuke dingen doen de komende weken?’ vraagt Annemarie, de vriendin van Marc.
‘Eh nou, heel hard werken,’ zeg ik en probeer een glimlach op mijn mond te toveren. Ondertussen springen de jongens als nerveuze insecten om me heen.
‘Tja eh nou, dat moet ook gebeuren he?’ Annemarie peutert aan haar nagels en wiebelt van de ene naar de andere voet.
‘Ja klopt. Maar jullie gaan lekker vakantie vieren. Heel veel plezier,’ ik meen het en toch komen de woorden met moeite uit mijn mond. ‘Dan ga ik maar eens,’ ik omhels Timo en plant mijn neus in zijn haren. Gelijk voel ik mijn ogen nat worden. Niet hier. Niet nu. ‘Ga je heel veel plezier maken lieverd?’ fluister ik schor.
‘Ja, natuurlijk!’ en hij rent weer weg. Uitgelaten als een jonge hond. Valentijn staat stilletjes op me te wachten bij de deur. Hij loopt met me mee naar de auto.
‘Jullie gaan het vast heel erg leuk hebben,’ ik slik mijn tranen weg en probeer luchtig te klinken, maar aan de blik in zijn ogen zie ik dat hij me doorheeft.
‘We zijn niet lang weg mama. En ik zal je vaak bellen, oké?’ zegt hij in mijn oor als ik hem een dikke knuffel geef.
Dan stap ik snel in de auto en rij drie stille, lege weken tegemoet.