De bel gaat lang en hard. Hoewel ik wist dat het bijna tijd was schrik ik er toch van, alsof ik even in een andere wereld was en nu word teruggehaald door dit snerpende geluid. Ik zet het vuur van de gaspitten waarop ik het lievelingseten van de jongens aan het koken ben laag en loop naar de deur. Ik voel me een beetje zenuwachtig, alsof ik een date heb met de man waar ik verliefd op ben.
‘Hoi,’ Timo staat verlegen naar me te kijken als ik de deur opendoe.
Na drie weken vol werk, magnetron maaltijden voor de tv en een bewust afgesloten hart, koud als een klomp ijs zodat de pijn van het gemis niet door kon dringen, overspoelt me een gevoel van warmte en rust. Alsof ik een pan heet water in de vriezer zet ontdooien de ijsklompen die zich rond mijn hart hebben gevormd met grote druppels tegelijk. De onrust die de afgelopen weken een deel van mij was geworden verdwijnt alsof iemand het oppakt, er een grote prop van maakt en weggooit. ‘Laat me eens even naar je kijken, wat ben je gegroeid en je kleur is helemaal anders! Wie ben je eigenlijk? Ben jij Timo wel? Volgens mij staat het verkeerde kind voor de deur!’
Timo lacht hard en stort zich in mijn armen. Ik duw mijn neus in zijn haren en snuif zijn zo vertrouwde, een beetje zoetige geur op waardoor het gelukshormoon gelijk door mijn lijf begint te stromen. Ik voel zijn lichaam ontspannen in het mijne.
‘Ik heb je gemist mama.’
‘Ik jou ook schatje, heel erg. Maar waar zijn Valentijn en papa eigenlijk? Of ben je alleen gekomen?’
Zijn ogen stralen alsof hij net die grote doos lego heeft gekregen die hij al zo lang wil. ‘Nee, natuurlijk niet. Ze zijn nog bij de auto, spullen aan het pakken ofzo.’
Op het moment dat hij dat zegt zie ik Valentijn het tuinpad op lopen. Zijn gezicht staat neutraal alsof er geen enkele emotie door hem heen gaat. Dan kijkt hij me kort aan en vormt zijn mond zich tot een stralende lach. Alsof de zon door de grijze lucht heen breekt.
De dagen die volgen zijn heerlijk. Het is fantastisch weer, ik heb vakantie en alle klusjes die nog gedaan moesten worden heb ik in de afgelopen weken al afgerond. Ik hoef alleen maar te genieten van Valentijn en Timo en in te pakken voor de vakantie. Maar dat laatste moet geen probleem zijn met de voorbereidingen die ik de afgelopen weken al heb getroffen, waaronder het samenstellen van een uitgebreide inpaklijst, het doen van de noodzakelijke wasjes en het verzamelen en klaarleggen van zaken die in mijn hoofd op popten.
‘Lees jij de punten uit de lijst op? Dan zoek ik ze bij elkaar,’ de laatste middag voor vertrek begin ik relaxed en heb Valentijn tot mijn hulpje gebombardeerd. Timo heeft zijn Kapla en auto’s weer ontdekt en bouwt ondertussen de hele woonkamer vol.
‘Handdoeken, beddengoed, toiletspullen..’ leest Valentijn voor.
‘Wacht even, dan zoek ik het gelijk op en leg het klaar,’ ik ren naar boven om al deze spullen te zoeken, me ondertussen nog allerlei zaken bedenkend die niet op de lijst staan; wat boodschappen die ik nog moet doen, de spullen die op het laatste moment pas ingepakt kunnen worden omdat we die nog moeten gebruiken zoals onze kussens en tandenborstels en het voltanken van de auto zodat we dat morgenochtend niet hoeven te doen. Mijn stressniveau begint naarmate de middag vordert steeds hoger te worden, als water dat langzaam begint te koken.
’s Avonds na het eten loop ik naar de buren om nog even de verzorging van de poezen te bespreken en de sleutel te geven. Als ik thuiskom liggen Timo en Valentijn ondersteboven op de bank op hun mobiel te koekeloeren.
‘Ik verveel me mam, gaan we nog iets leuks doen vanavond?’ vraagt Valentijn met een lijzige stem, ‘het was al zo’n saaie dag, echt zonde van de vakantie.‘
Ik kijk de kamer rond. De woonkamer is één groot fort van aaneengeschakelde Kapla gebouwen met eromheen honderden parkeerplaatsen waar alle auto’s van Timo een plek hebben gevonden. Daar tussenin liggen half ingepakte tassen en koffers, wachtend op de laatste zaken die er nog in gepropt moeten worden.
‘Iets leuks doen?!’ ik ontplof bijna, ‘hoe bedoel je iets leuks doen? Het is verdorie bijna half acht en ik ben nog niet eens voor de helft klaar. Ga zelf iets doen. Ga naar buiten, zoek je vrienden op of pak een boek!’
‘Kom Timo, mama heeft weer stress, zullen wij op de trampo gaan?’
De volgende ochtend rijden we, een uur later dan gepland, onze vakantie tegemoet. En al blijven we dit jaar in Nederland, na maanden van thuiszitten is het een verademing om even in een andere omgeving te zijn. Maar, wat ik altijd vergeet voordat ik met de jongens op vakantie ga, is dat ik ook hier niet ‘uit’ kan. Ik ruim de hele tijd de rotzooi in de kleine stacaravan op omdat we anders geen plek meer hebben om te zitten, ik bedenk wat we moeten eten, doe de boodschappen, verzorg het ontbijt (‘maar mama, ik heb toch al broodjes gehaald?’), bedenk wat we gaan doen en reserveer de in deze coronatijd noodzakelijke kaartjes, stippel de routes uit, speel politieagent bij de ruzies tussen de jongens die elkaar na vier weken zomervakantie al redelijk zat zijn, incasseer gezeur, gescheld en getier, houd de bedtijden in de gaten om ze niet helemaal total loss af te leveren na de vakantie, voer schermtijd-detox-dagen in om nog een beetje gezelligheid te hebben, incasseer het gezeik dat ik daarover krijg, ruim de keuken op waar ze zo lief voor mij een ontbijtje hebben gemaakt, maar daarbij werkelijk alles uit de kast hebben getrokken, maak salto’s in het zwembad, glij gillend van de glijbaan, laat me dik inmaken met Risk, hang de handdoeken die als een propje op het wasrek zijn neergekwakt goed uit zodat ze de volgende dag weer gebruikt kunnen worden, zoek me suf naar alle spullen die de jongens steeds kwijt zijn, pak alles aan het eind van de vakantie in, pak alle spullen thuis weer uit, draai wasjes en ruim alles op alsof we nooit weggeweest zijn.
‘Hoe was je vakantie?’ vraagt een collega op mijn eerste werkdag, ‘ben je lekker uitgerust?’
‘Het was fantastisch!’ zeg ik en loop met mijn vers getapte cappuccino naar mijn werkplek, ‘maar nu moet ik eerst even bijkomen.’

Geef een reactie